Zakelijk Prive Modellen Fiscale adviesdossiers

Stel hier uw vraag!

Volledige naam *
Bedrijfsnaam
Telefoon *
2 + 1 =

Toelichting werkkostenregeling regering

In het belastingplan 2015 wordt een interessante toelichting gegeven op de werkkostenregeling. Een beste lap tekst, dus gaat u er eens rustig voor zitten.

Werkkostenregeling in Belastingplan 2015

Ik ben verheugd over de brede interesse van de leden van de Tweede Kamer voor de werkkostenregeling. Die interesse is er niet alleen bij de Kamerleden. Hoewel de werkkostenregeling nu nog de vorm heeft van een keuzeregeling (werkgevers kunnen nu nog kiezen voor de “oude” systematiek voor vergoedingen en verstrekkingen) zijn al ruim 100.000 werkgevers overgestapt naar de werkkostenregeling. Daarbij gaat het vooral om werkgevers die zich hebben verdiept in de werkkostenregeling en daar ook echt de voordelen van zien. Uit de brede consultatie in 2013 is gebleken dat deze werkgevers ook de administratieve voordelen ervaren. Dat wil niet zeggen dat de andere werkgevers die voordelen niet zien. Veel werkgevers hebben zich er eenvoudigweg nog niet in verdiept. Dat is ook niet vreemd – het vergt enerzijds een inspanning om de werkkostenregeling te doorgronden en de voordelen daarvan te doorzien en anderzijds is het begrijpelijk dat werkgevers zich pas gaan verdiepen in de materie op het moment dat het verplicht wordt. Onbekend maakt in dit geval dan ook onbemind en dat verklaart zeer waarschijnlijk het relatief beperkte aandeel werkgevers dat is overgestapt. Ik realiseer me overigens dat ik met deze uitspraak een groot aantal werkgevers dat nog niet is overgestapt tekort doe. Een deel van die werkgevers heeft zich wel degelijk verdiept in de werkkostenregeling maar heeft overstap nog niet gemaakt omdat zij bepaalde onderdelen van de werkkostenregeling als een knelpunt ervaren. Het voorliggende Belastingplan beoogt die knelpunten weg te nemen. De gekozen oplossingen voor die knelpunten zijn tot stand gekomen na uitvoerige consultatie van het bedrijfsleven en ik ben van mening dat het merendeel van de knelpunten echt is weggenomen. Daarmee is de werkkostenregeling qua werking en systematiek niet wezenlijk gewijzigd, zij is daarmee wel verbeterd. Dat wordt niet alleen bevestigd in de reacties op het Belastingplan maar blijkt ook uit het feit dat daar in het verslag relatief weinig vragen over zijn gesteld.

Veel vragen die in het verslag zijn gesteld hebben juist betrekking op de werkkostenregeling als zodanig die al in 2011 in werking is getreden. Er blijkt dus nog veel behoefte te bestaan aan een nadere uitleg van de werkkostenregeling. Dat verklaart de vele vragen over bijvoorbeeld het loonbegrip, de systematiek van de nihilwaarderingen, de gerichte vrijstellingen en de vrije ruimte, allemaal onderdelen die in het voorliggende Belastingplan niet worden gewijzigd. Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om deze aspecten van de werkkostenregeling nog eens toe te lichten. Het eerste deel van de hierna opgenomen beantwoording heeft betrekking op de vragen over het in het belastingplan opgenomen pakket maatregelen. Vervolgens komen de werking en de systematiek van de werkkostenregeling in het algemeen aan de orde.

Algemeen

De leden van de fractie van het CDA vragen of de Belastingdienst bezig is om werkgevers actief te informeren over de werkkostenregeling. Het belang van een goede voorlichting staat voor mij voorop. De Belastingdienst informeert werkgevers over de werkkostenregeling, uiteraard onder voorbehoud van de parlementaire behandeling. Het gaat bij de werkkostenregeling om een bestaande regeling die echter door een deel van de werkgevers nog niet wordt toegepast. De administratieve aspecten van de overstap vragen tijdig aandacht. Daarom is de Belastingdienst, vooruitlopend op de goedkeuring in het parlement, begonnen met het actief informeren van werkgevers en fiscale dienstverleners over de werkkostenregeling en de voorgenomen verbeteringen. In het kader hiervan heeft de Belastingdienst nu al een afzonderlijk internetportaal ingericht dat bereikbaar is op www.belastingdienst.nl/wkr.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of ook overwogen is om nu de regeling definitief vast te stellen en werkgevers de mogelijkheid te geven zich goed voor te bereiden met een inwerkingtreding in 2016. Dat is inderdaad overwogen. In de brede consultatie heeft een groot aantal respondenten erop aangedrongen vanaf 2015 alleen nog de werkkostenregeling van toepassing te laten zijn. De voorbereidingstijd voor de omschakeling achten zij voldoende, zeker met het vooruitzicht van de invoering van de jaarlijkse afrekensystematiek, waardoor nog maar eens per jaar en achteraf hoeft te worden vastgesteld of de vrije ruimte is overschreden.

De leden van de fractie van de VVD vragen of er ook sectoren zijn die onevenredig hard geraakt worden door de verlaging van de vrije ruimte naar 1,2% en die relatief weinig gebruikmaken van de gerichte vrijstellingen van de werkkostenregeling. Bekend is dat de detailhandel met zijn traditie van korting op branche-eigen producten in combinatie met relatief lage lonen veel last heeft van de verlaging van de vrije ruimte naar 1,2%. Dat knelpunt wordt weggenomen met een separate vrijstelling.

De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet kan aangeven welk percentage van de bedrijven momenteel al de nieuwe werkkostenregeling hanteert en of dit kan worden opgesplitst in kleine, middelgrote en grote ondernemingen. In het genoemde rapport van Panteia is vermeld dat kleine werkgevers in 2012 nog relatief weinig gebruik maakten van de werkkostenregeling. Bij werkgevers met meer dan 500 werknemers blijkt ruim 30% de werkkostenregeling te gebruiken. Er zijn verschillende redenen waarom werkgevers nog niet waren overgestapt. Allereerst is inherent aan een keuzeregime dat de keuze om over te stappen wordt uitgesteld nu er geen directe noodzaak is. De rode draad was verder dat naarmate de werkgevers kleiner zijn, men geen of weinig vergoedingen en verstrekkingen heeft, men wachtte op initiatief van de boekhouder of men zich er nog niet in had verdiept. De mate waarin bedrijven in 2014 deelnemen aan de werkkostenregeling kan niet uit de fiscale loongegevens worden afgeleid, omdat dit gegeven niet in de loonaangifte behoeft te worden vermeld. Op basis van informatie van enkele grote salarisadministratiekantoren kan echter worden verondersteld dat op dit moment circa 20% van de werkgevers is overgestapt op de werkkostenregeling.

De leden van de fractie van de SP vragen voor welke bedrijven de met de werkkostenregeling beoogde administratieve lastenverlichting geldt en of dit evenredig is voor kleine en grote werkgevers. Het voordeel van de administratieve verlichting slaat vooral neer bij werkgevers die veel vergoedingen en verstrekkingen geven. Maar in detail zijn geen gegevens bekend over welke sectoren of grootteklasse het specifiek zou betreffen. De mate waarin bedrijven administratieve lasten ondervinden van het verstrekken van vergoedingen en verstrekkingen hangt ook af van hetgeen zij verstrekken. Zo vergen vergoedingen meer vastleggingen dan verstrekkingen, doordat in verband met de toetsbaarheid de bonnetjes op individueel niveau vastgelegd moeten worden.

De leden van de fractie van de SP vragen naar signalen omtrent nadelige gevolgen van de werkkostenregeling voor vooral het MKB. Dergelijke signalen zijn al langer bekend, ook bij het kabinet. Daarom is in de brede consultatie in het voorjaar van 2013 nadrukkelijk contact gezocht met vertegenwoordigers uit die kringen. Er is uitvoerig van gedachten gewisseld over de knelpunten die het MKB ervaart en deze zijn vervolgens opgepakt. In het bijzonder blijkt de afrekensystematiek per tijdvak een knelpunt te vormen dat met het voorgestelde pakket wordt weggenomen. Ook het onderscheid tussen vergoedingen en verstrekkingen bij een aantal werkplek gerelateerde voorzieningen vormt een knelpunt omdat in veel bedrijfstakgerichte CAO’s vergoedingen op dit punt zijn opgenomen. Ook dit knelpunt wordt weggenomen met het voorliggende pakket. Voor een ander door het MKB aangedragen knelpunt, namelijk de boeking inclusief btw, is in mijn brief van 3 juli 2014, een praktische oplossing aangedragen.1)

1) Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 110.

De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet bereid is om in enkele voorbeeldsituaties te schetsen welke invloed de invoering van de werkkostenregeling heeft in verschillende bedrijven, zoals bedrijven van verschillende grootteklassen, en daarbij in te gaan op een aantal specifieke verstrekkingen zoals een kerstpakket, de fiets van de zaak en een bedrijfsuitje. De door deze leden genoemde verstrekkingen betreffen allemaal voorzieningen die in de vrije ruimte dienen te worden ondergebracht. Grote en kleine bedrijven worden evenredig bedeeld vanwege het feit dat de omvang van de vrije ruimte wordt uitgedrukt in een vast percentage van de loonsom.

Concept Uitvoeringsregeling 2011

De leden van de fractie van het CDA vragen of het concept van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011) aan de Kamer kan worden verstrekt of ten minste een uiteenzetting voor welke voorzieningen de vrijstelling gaat gelden. Ook de leden van de fractie van de PVV achten het wenselijk om tijdig bekend te maken voor welke voorzieningen de gerichte vrijstelling voor vergoedingen en verstrekkingen gaat gelden. In het verlengde van het belang dat ik hecht aan een uitgebreide communicatie richting werkgevers en andere betrokken partijen acht ik het wenselijk nu al kenbaar te maken hoe de voorgenomen aanpassingen op het punt van de werkkostenregeling in de URLB 2011 per 1 januari 2015 komen te luiden. Dit concept is bij deze nota gevoegd.

In de URLB 2011 wordt gekozen voor het wegnemen van het onderscheid tussen vergoedingen en verstrekkingen op het punt van Arbovoorzieningen en van hulpmiddelen die mede op de werkplek gebruikt worden. Van de overige, op dit moment in de URLB 2011 opgenomen nihilwaarderingen is het minder goed denkbaar is dat deze vergoed worden, bijvoorbeeld een uniform of huisvesting op een boorplatform.

Vrijwilligers

De leden van de fracties van de SP, het CDA en de ChristenUnie vragen naar de vrijwilligersregeling in relatie tot de werkkostenregeling. Voor vrijwilligers geldt een bijzondere regeling waarbij ervan wordt uitgegaan dat, in het geval een vrijwilliger uitsluitend vergoedingen en verstrekkingen ontvangt met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar, deze vrijwilliger geacht wordt niet in dienstbetrekking te zijn. Voorwaarde voor toepassing van deze regeling is dat de vrijwilliger niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld. De werkkostenregeling brengt hierin geen verandering.

De vrijwilligersvergoeding van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar vormt vanwege deze fictie geen loon en telt dan ook niet mee voor de bepaling van de loonsom waarover de vrije ruimte wordt berekend. De vergoedingen en verstrekkingen aan de vrijwilligers die binnen de grenzen van de vrijwilligersregeling blijven, hoeven dan ook niet aangewezen te worden als eindheffingsbestanddeel en kunnen als zodanig ook geen beslag leggen op de vrije ruimte. Voor de bepaling van het totaal aan vergoedingen en verstrekkingen zijn geen uitzonderingen gemaakt. Dat betekent dat de waarde van kerstpakketten of een bedrijfsuitje meetelt voor de maximumbedragen van de vrijwilligersregeling. Ook op dit punt brengt de werkkostenregeling geen verandering.

Noodzakelijkheidscriterium - algemeen

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie van het kabinet op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 september 2014 dat een tablet een communicatiemiddel is en geen computer.2) In de door deze leden bedoelde uitspraak van Hof Amsterdam wordt een iPad als communicatiemiddel in de zin van het toenmalige artikel 15b, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet LB 1964 aangemerkt. Dat houdt in dat deze iPad vrijgesteld is in het geval het zakelijke gebruik meer dan 10% is. Deze uitkomst staat haaks op het thans gevoerde beleid. Daarom ga ik in cassatie tegen deze uitspraak vanwege het budgettaire belang voor het lopende kalenderjaar. Met de voorgestelde invoering van het beperkte noodzakelijkheidscriterium voor gereedschap en ICT-middelen verliest deze uitspraak voor de toekomst haar belang.

2) ECLI:NL:GHAMS:2014:3946.

Noodzakelijkheidscriterium - beperkte introductie

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom het noodzakelijkheidscriterium slechts beperkt wordt ingevoerd en of bredere invoering in het verschiet ligt. Zoals ook gemeld aan de Kamer in de brief van 3 juli 2014 is uit de brede consultatie gebleken dat er vele voorstanders zijn van het noodzakelijkheidscriterium.3) Anderzijds bestaat de vrees dat het noodzakelijkheidscriterium als open norm zal leiden tot veel discussie en onduidelijkheid waardoor er een roep ontstaat naar duidelijke afbakeningen. Om die reden heeft het kabinet besloten het noodzakelijkheidscriterium op beperkte schaal in te voeren, waarmee ook een aantal bestaande knelpunten kunnen worden weggenomen. De invoering van het noodzakelijkheidscriterium wordt gevolgd en geëvalueerd. De resultaten van die evaluatie zullen in de loop van 2018 aan de Staten-Generaal worden toegestuurd. Dat geeft de gelegenheid gedurende drie jaar ervaringen op te doen met deze nieuwe open norm en de in de in de praktijk opkomende punten te beoordelen. Een korter tijdpad is minder geschikt omdat dan mogelijke kinderziektes naar verwachting onvoldoende uitgekristalliseerd zijn. De uitkomst van de evaluatie is mede bepalend voor de vraag of het noodzakelijkheidscriterium breder kan worden ingevoerd.

3) Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 110.

Noodzakelijkheidscriterium - reikwijdte

De leden van de fractie van de SP vragen of het noodzakelijkheidscriterium uitsluitend geldt voor gereedschappen en ICT-middelen. Verder vragen deze leden naar een toelichting op de categorieën die onder het nieuwe criterium vallen. De leden van de fractie van de PVV vragen specifiek naar een datakaartje en internet thuis. De keuze om het noodzakelijkheidscriterium te beperken tot de categorie gereedschappen en ICT-middelen is ingegeven door de tegengestelde signalen over het noodzakelijkheidscriterium in de brede consultatie. Enerzijds waren er veel positieve reacties over dit nieuwe criterium, anderzijds was men sceptisch over het karakter van open norm en bleef de behoefte aan zekerheid en duidelijkheid. De keuze voor een beperkte groep voorzieningen maakt het mogelijk in de praktijk te experimenteren met de nieuwe norm. De beperking tot gereedschappen en ICT-middelen lag gelet op de vele signalen over het onwenselijke onderscheid in zakelijke-gebruikseis voor deze specifieke producten voor de hand.

Inderdaad wordt voorgesteld om het noodzakelijkheidscriterium thans uitsluitend toe te passen op gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur, alsmede op de vergoedingen en verstrekkingen die rechtstreeks met deze noodzakelijke voorzieningen verband houden, zoals het gebruik van datatransport in de vorm van een dongel of een 4G-kaartje. Ook is het denkbaar om – mits voldaan aan de voorwaarden van het noodzakelijkheidscriterium – de verstrekking van alleen een datatransportkaartje onder deze vrijstelling te laten vervallen. Onder het noodzakelijkheidscriterium is het mogelijk om het internetgebruik dat thuis plaatsvindt onbelast te vergoeden mits voldaan wordt aan de hiervoor geldende voorwaarden. Een dergelijke verstrekking zal naar de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Overeind blijft dat alleen de kosten onbelast kunnen worden vergoed voor zover de voorziening daadwerkelijk noodzakelijk is. Bij gereedschap moet gedacht worden aan voorwerpen die voor het verrichten van een werkzaamheid nodig zijn, met name de werktuigen van een ambachtsman, bijvoorbeeld het pneumatische nietpistool of de lasergestuurde afstandmeter van een timmerman, het muziekinstrument van de muzikant of de kwast van de schilder. Dergelijke apparatuur moet in samenhang gelezen worden met de in de tekst genoemde ICT-middelen zoals computers en mobiele communicatiemiddelen. Voorbeelden van dergelijke apparatuur zijn desktops, laptops, tablets, mobiele telefoons en smartphones. Ook printers vallen hieronder. Een ander voorbeeld van dergelijke apparatuur is een organizer, maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor navigatieapparatuur. Met het begrip dergelijke biedt de regeling ruimte aan toekomstige technologische ontwikkelingen. Technologische ontwikkelingen gaan snel. Met deze open norm kan worden aangesloten bij de maatschappelijke ontwikkelingen die veelal vooruitlopen op de wetgeving.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er tussentijds nadere invulling kan worden gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium mocht hiertoe aanleiding bestaan. Het kabinet is van mening dat het maken van gedetailleerde regelgeving rondom het noodzakelijkheidscriterium de beoogde vereenvoudiging in de weg zal staan. We komen immers van een regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen waarin gepoogd werd alles op detailniveau te regelen. Deze detaillering bracht niet de gewenste duidelijkheid, waardoor de discussies bleven. Er waren ook altijd omstandigheden die niet precies binnen de in de regelgeving geformuleerde voorwaarden pasten. Dit leidde tot weer nieuwe aanpassingen en wederom nieuwe discussies. Ter illustratie het begrip computer. Op het moment dat dit in de regelgeving werd opgenomen was voor iedereen duidelijk wat hiermee werd bedoeld. Echter op een gegeven moment ontwikkelden de mobiele telefoon en later de tablet zich dusdanig dat deze misschien nog wel meer functionaliteit bieden dan de computer.

De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen wat er onder het begrip gereedschappen wordt verstaan en naar voorbeelden over de toepassing. Voor de hand liggende voorbeelden zijn uiteraard de hamer van de timmerman en de verfkwast van de schilder. Dergelijk gereedschap is zonder meer noodzakelijk. Ook de medische instrumenten of sloopgereedschap, pennen en potloden zullen in het algemeen gereedschap voor de dokter, de sloper en de kantoorbediende zijn. Bij de toepassing van het (beperkte) noodzakelijkheidscriterium kan onder omstandigheden ook gedacht worden aan het verstrekken van een tablet waardoor werknemers in de gelegenheid gesteld worden om papierloos te vergaderen. Uit omstandigheden kan blijken hoe noodzakelijk een werkgever papierloos vergaderen vindt, bijvoorbeeld door de printfaciliteiten te verminderen of met ondersteunende apps het mogelijk te maken ook tekstuele aanpassingen in documenten te maken of opmerkingen te plaatsen. Een ander voorbeeld is het orkestlid dat een uniek en waardevol instrument dat hij van een stichting in beheer heeft gekregen, in de uitvoeringen van het orkest bespeelt en daarmee de door het orkest ten gehore gebrachte muziek verder verrijkt. Zijn werkgever vindt die extra klankkleur zo noodzakelijk dat hij bereid is de met het beheer van dat instrument samenhangende kosten te vergoeden.

Noodzakelijkheidscriterium - toetsbaarheid

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de Belastingdienst in de praktijk gaat toetsen of een voorziening noodzakelijk is en of de Belastingdienst niet op de stoel van de ondernemer gaat zitten. Deze leden vragen of een voorbeeld kan worden gegeven wanneer een voorziening in redelijkheid noodzakelijk geacht mag worden. In de praktijk zal de inspecteur in eerste instantie afgaan op hetgeen een werkgever noodzakelijk acht. Daarbij stelt hij zich de vraag of deze werkgever in redelijkheid tot dit oordeel had kunnen komen. Daartoe vraagt hij onder meer naar de indicaties zoals deze zijn genoemd in de memorie van toelichting. Onder meer de mate van zakelijk gebruik vormt een indicatie van de noodzakelijkheid. Ook onderzoekt de inspecteur in hoeverre de voorziening voor rekening van de werkgever is gekomen. Het geheel van feiten en omstandigheden (wie bepaalt, wie betaalt, hoe is het gebruik et cetera) in combinatie met de redelijkheidtoets moet voorkomen dat de inspecteur op de stoel van de ondernemer gaat zitten.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het “verbod” op het cafetariamodel niet overbodig is omdat dit “verbod” impliciet al uit het noodzakelijkheidscriterium volgt. Het noodzakelijkheidscriterium dat als uitgangspunt hanteert dat een werkgever een voorziening zonder meer nodig moet vinden, duidt erop dat de werkgever bepaalt en bepaalt. Die situatie verdraagt zich niet met een cafetariamodel waar een werknemer naar eigen inzicht van gebruik kan maken en waarbij hij zelf de kosten vanuit zijn brutoloon betaalt. Voor alle helderheid is een bepaling opgenomen die samenloop van het noodzakelijkheidscriterium met cafetariseren uitsluit.

Positie bestuurders en commissarissen

De leden van de fractie van de PVV vragen of er voor bestuurders en commissarissen een afzonderlijke aanvullende gebruikelijkheidstoets geldt. Voorts vragen deze leden of er niet al een gebruikelijkheidstoets geldt voor de werkkostenregeling, waar nu precies het onderscheid zit tussen beide gebruikelijkheidstoetsen en of één gebruikelijkheidstoets niet voldoende is.

Zoals deze leden terecht opmerken geldt er een afzonderlijke, aanvullende gebruikelijkheidstoets voor noodzakelijke voorzieningen aan bestuurders en commissarissen.

Er is een algemeen geldende gebruikelijkheidstoets die de inspecteur een handvat biedt om extreme situaties te bestrijden door aannemelijk te maken dat het niet gebruikelijk is om een pakket vergoedingen en verstrekkingen voor een werknemer aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel. Voor bestuurders en commissarissen die de zeggingsmacht hebben geldt ten aanzien van noodzakelijke voorzieningen een omkering van de bewijslast.

Concernregeling

De leden van de fracties van het CDA en de PVV vragen waarom niet is aangesloten bij een bestaande concerndefinitie zoals die voor de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting of de omzetbelasting. Bij het zoeken naar een eenvoudig uitvoerbare regeling is onder meer onderzocht of de reeds in de fiscaliteit gehanteerde definities van concern voldoende houvast boden om te voldoen aan de eisen van eenvoudige uitvoerbaarheid door de Belastingdienst. Een van die eisen betreft het afbakenen van de groep die voor toepassing in aanmerking komt. Het vertrekpunt vormt de inhoudingsplichtige. Vanuit dat vertrekpunt is de eis gerold van 95% belang met een alles-of- nietsbenadering die hierna nader wordt toegelicht. Een andere eis van uitvoerbaarheid ziet erop dat de Belastingdienst geen aanvullende processen hoeft in te regelen. Daarmee is het afgeven van een beschikking door de inspecteur afgevallen. Voorts gold als eis dat voor de toepassing van de concernregeling geen wijzigingen in de loonaangifteset mogen worden aangebracht. Daaruit zijn de administratieve voorwaarden voortgekomen die in de URLB 2011 worden opgenomen en die het mogelijk moeten maken bij controle van een onderdeel van het concern toch het gehele beeld van de toepassing van de werkkostenregeling te krijgen.

Er is dus gekozen voor een eenvoudige benadering van een concerndefinitie zodat de regeling eenvoudig uitvoerbaar is voor de Belastingdienst zonder dat er nadere vastlegging zoals een beschikking noodzakelijk is en tegelijkertijd ook voor een inhoudingsplichtige snel duidelijk is of hij voldoet aan de voor de toepassing geldende voorwaarden.

De leden van de fracties van het CDA en de PVV vragen hoe belang uitgelegd moet worden bij het beoordelen van de vraag of er gebruik kan worden gemaakt van de concernregeling. Voor toepassing van de concernregeling is doorslaggevend de juridische en economische eigendom. Daarmee wordt aangesloten bij het nominaal gestort kapitaal er wordt dus niet getoetst aan de hand van een eventuele stemrechtverdeling.

De leden van de fractie van de SGP vragen hoeveel stichtingen er in Nederland zijn die op bestuurlijk niveau als groep functioneren. Dat is lastig vast te stellen omdat niet goed duidelijk is wat bedoeld wordt met “op bestuurlijk niveau als groep”. Veel stichtingen hebben op enig niveau onderlinge verbondenheid. Dat kan onder meer bestaan uit een of meer gezamenlijke doelstellingen of gemeenschappelijke bestuursleden. De Belastingdienst doet geen vastleggingen over een dergelijke verbondenheid.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ook een fiscaal transparante entiteit gebruik kan maken van de concernregeling. Toepassing van de concernregeling wordt getoetst aan de hand van het belang van de inhoudingsplichtige in een andere inhoudingsplichtige, dit belang moet minimaal 95% zijn. Voor de toepassing is het niet vereist dat de concernregeling beperkt blijft tot privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheden, maar het ligt wel voor de hand.

De leden van de fracties van de PVV, D66, CDA, ChristenUnie en SGP hebben gevraagd om de concernregeling om te vormen naar een rechtsvormneutrale regeling zodat ook bijvoorbeeld stichtingen gebruik kunnen maken van de concernregeling. Dit verzoek is eenvoudig te realiseren. De diversiteit in aard en omvang van verbondenheid tussen samenwerkende inhoudingsplichtigen staat aan een duidelijke afbakening en daarmee aan een goede uitvoerbaarheid van de concernregeling in de weg.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet bereid is werkgevers uit het oogpunt van rechtszekerheid de optie te geven dat het concern bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld, zodat de werkgever weet waar hij aan toe is. Zoals reeds eerder is toegelicht, is gekozen voor een eenvoudig uit te voeren regeling. Een voor bezwaar vatbare beschikking wordt bij de gekozen vormgeving niet nodig geacht. Bij twijfel over de juiste toepassing kan het concern in overleg treden met de Belastingdienst. Deze kan uitsluitsel bieden over de concernonderdelen die voldoen aan de voorwaarden om deel te nemen. Het besluit om de concernregeling in enig jaar wel of niet toe te passen ligt echter in handen van het concern zelf en van de omstandigheden in dat jaar.

De leden van de fractie van het CDA vragen voor welke belastingen de hoofdelijke aansprakelijkheid bij toepassing van de concernregeling van toepassing is. De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt uitsluitend voor de verschuldigde belasting in het kader van toepassing van de werkkostenregeling, dus louter voor de bij overschrijding van de vrije ruimte op concernniveau verschuldigde eindheffing in het geval de inhoudingsplichtige met het hoogste fiscale loon met uitzondering van de eindheffingsbestanddelen, niet aan zijn verplichtingen voldoet.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de concernregeling moet worden toegepast in geval van een juridische fusie binnen het kalenderjaar. Om de regeling eenvoudig toepasbaar te houden voor zowel werkgevers als de Belastingdienst is ervoor gekozen een aantal harde voorwaarden te stellen voor de toepassing van de concernregeling. Een van de voorwaarden is het houden van het belang gedurende het gehele kalenderjaar. In geval van een juridische fusie lopende het kalenderjaar is het dan ook niet mogelijk voor de desbetreffende concernonderdelen om de concernregeling toe te passen.

Gerichte vrijstelling voor korting op producten eigen bedrijf

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de overwegingen een gerichte vrijstelling op te nemen voor korting op producten eigen bedrijf en niet voor de fiets, de fitness en het bedrijfsuitje. Ook de leden van de fractie van de PVV vragen hiernaar. Al deze categorieën passen prima binnen de vrije ruimte omdat het bevoordelingskarakter overheerst. Voor het opnemen van een gerichte vrijstelling voor korting op branche-eigen producten is – als uitzondering op de systematiek - van doorslaggevende betekenis geweest dat het verstrekken van korting op producten uit het eigen bedrijf vooral voorkomt in sectoren waarin ook de problematiek van relatief lage lonen en relatief veel deeltijders ertoe leidt dat inhoudingsplichtigen relatief weinig vrije ruimte hebben, in het bijzonder in de sectoren detailhandel en horeca. Met deze vrijstelling wordt aan dit knelpunt tegemoetgekomen. Voor de fiets, de fitness en het bedrijfsuitje is een specifieke vrijstelling niet aan de orde.

Systematiek van de werkkostenregeling

Gebruik van nihilwaarderingen, gerichte vrijstellingen en de vrije ruimte

De leden van de fractie van het CDA hebben diverse vragen over de systematiek van de werkkostenregeling en het gebruik van de vrije ruimte in bijzonder. Ook vragen deze leden of een werkgever die niets doet, niet van de vrije ruimte kan profiteren. Zij stellen deze vraag omdat in de brief van 3 juli 2014 naar de mening van deze leden de suggestie zou zijn besloten dat werkgevers materieel tot eind 2015 de tijd hebben om hun administratie op orde te hebben.4) Het is niet zo dat de werkgever niets hoeft te doen. Nog altijd moet een werkgever in zijn administratie zijn bedoeling (niet individueel verlonen) vastleggen. In het geval een werkgever het besluit neemt een vergoeding of verstrekking niet tot het individuele loon te rekenen, legt hij op het moment dat dit loonbestanddeel genoten wordt ook niets vast op de loonkaart van de werknemer. Daaruit valt af te leiden dat hij de bedoeling heeft de vrije ruimte of een gerichte vrijstelling te gebruiken en over het meerdere de eindheffing te betalen. Pas na afloop van het jaar valt zonder twijfel te constateren of hij de juiste vastleggingen heeft gedaan. Kiest een werkgever ervoor een of meer loonbestanddelen wel individueel te verlonen dan gelden de gebruikelijke administratieve verplichtingen van vastlegging op de loonkaart.

4) Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 110.69.

De gedachte achter de werkkostenregeling, een grote vrije ruimte waar de werkgever naar eigen inzichten mee om kan gaan, is gaandeweg uitgekristalliseerd in een driehoek van vrije ruimte, nihilwaarderingen en gerichte vrijstellingen. Gerichte vrijstellingen zijn geïntroduceerd om de herverdelingseffecten van louter een forfait te beperken en zien op kosten waarbij in het algemeen het zakelijk karakter overheerst. Voor vergoedingen ter zake van deze gerichte vrijstellingen geldt een verplichte vastlegging op werknemersniveau. De vrije ruimte zou dan beschikbaar blijven voor andere vergoedingen en verstrekkingen met een gemengd karakter. Onontkoombaar doet zich de vraag voor tegen welke waarde werkplekgerelateerde voorzieningen in de vrije ruimte moeten worden opgenomen. De onwenselijkheid lastige waarderingsregels op te nemen voor voorzieningen met een (vaak beperkt) privévoordeel heeft geleid tot het ontstaan van de nihilwaarderingen voor voorzieningen die de werkgever in het kader van de bedrijfsvoering ter beschikking stelt. Voor het overige is de vrije ruimte beschikbaar. Werkgevers die de werkkostenregeling toepassen ervaren, zo bleek in de consultatie, deze vrijheid als zeer positief.

De leden van de fractie van het CDA vragen ook of het niet iets eenvoudiger wordt als er maar één categorie vrijstellingen is. Dat zou kunnen door voor alle nihilwaarderingen een specifieke gerichte vrijstelling op te nemen. Daarmee zou materieel echter het regime van vrije vergoedingen en verstrekking herleven. Daarbij moet ook afgewogen worden dat bij een budgetneutraal uitgangspunt introductie van (nog) meer specifieke gerichte vrijstellingen ten koste zou gaan van de vrije ruimte. Het kabinet is van oordeel dat de grotere keuzevrijheid van de vrije ruimte met de beperkte administratieve lasten de voorkeur geniet boven een scala aan meer gerichte vrijstellingen en dat met het huidige voorgestelde pakket een goede mix is verkregen.

Loonbegrip

De leden van de fractie van het CDA en het lid van de fractie van 50-Plus/Baay-Timmerman vragen om meer uitleg over berichten dat het loonbegrip zou zijn gewijzigd. Die roep klinkt ook buiten het parlement. Het loonbegrip is echter niet gewijzigd. Daarom geef ik hierna graag een toelichting. Tevens vragen de leden van de fractie van het CDA waarom het loon niet is beperkt tot wat de werknemer krijgt als beloning voor verrichte arbeid. Het antwoord daarop kan kort zijn. Dat had ook gekund, maar die keuze is niet gemaakt. Artikel 10 van de Wet LB 1964 gaat uit van een breed loonbegrip. Dat is al jaren zo. Wetssystematisch behoren ook alle vergoedingen en verstrekkingen tot het loon van de werknemer, met inbegrip van de naar algemeen maatschappelijke opvatting niet als beloningsvoordeel ervaren voorzieningen. Daarna wordt het loonbegrip als het ware afgepeld en volgen de uitzonderingen. Waar deze uitzonderingen een plaats krijgen in de wet is deels een kwestie van smaak. Wat er verandert met de werkkostenregeling is dat het aantal vrijstellingen is verminderd om zo een vrije ruimte te creëren. Die vrije ruimte kan worden gevuld met bijvoorbeeld de vervallen vrijstellingen, maar ook met andere beloningsvoordelen die de werkgever aan zijn werknemers wil verstrekken. Omdat een aantal vrijstellingen zijn vervallen lijkt het loonbegrip breder maar dat is het niet. Waar een uitzondering op het loonbegrip moet worden geplaatst, daar vragen de leden van de fractie van het CDA ook naar, is ook bij de voorgestelde introductie van het beperkte noodzakelijkheidscriterium aan de orde geweest. Vanwege het privévoordeel dat in noodzakelijke voorzieningen te onderkennen valt, is bewust gekozen voor plaatsing binnen de gerichte vrijstellingen en niet in het loonbegrip zelf.

In een recente beschouwing van Advocaat-Generaal Niessen bij de Hoge Raad over de wetsystematiek en de reikwijdte van het loonbegrip is deze zienswijze over het brede loonbegrip en het afpellend karakter nogmaals onderschreven.5)

5) ECLI:NL:PHR:2014:1732.

Het privévoordeel van de voorzieningen op de werkplek zelf, zoals het bureau, de vaste computer op kantoor, de bureaustoel, de vaste telefoon, de postvakjes, de printer en het printerpapier, enveloppen en balpennen, eventuele kamerplanten, wc-papier op het toilet van het bedrijf waar de leden van de fractie van het CDA naar vragen werden onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen tot het in artikel 10 van de Wet LB 1964 bedoelde loon gerekend en vervolgens als niet naar algemene maatschappelijke opvattingen tot het loon behorend vrijgesteld onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen. Andere voorzieningen, zoals de parkeerruimte bij het bedrijf – ook hier vragen deze leden naar – kenden een specifieke vrijstelling. Voor het overige waren onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen nog diverse specifieke vrijstellingen opgenomen met voorwaarden of andere normeringen en beperkingen met als doel specifiek omschreven kostencategorieën vrij te stellen.

Onder de werkkostenregeling wordt de waarde van onder meer de door de leden van de fractie van het CDA opgesomde voorzieningen die in het algemeen de werkplek niet verlaten op nihil gesteld. Met de nihilwaardering voor voorzieningen op de werkplek wordt op dit punt hetzelfde resultaat bereikt als onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen.

Werkplek als hulpcriterium

De leden van de fracties van de VVD, het CDA, de PVV en 50-Plus/Baaij-Timmerman hebben vragen gesteld over het werkplekcriterium als zodanig en meer specifiek over de diverse werkplekgerelateerde kostencategorieën. In het algemeen valt over het gebruik van het werkplekcriterium het volgende te zeggen. De werkplek is in het kader van de werkkostenregeling gedefinieerd als iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt en waarvoor de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet verantwoordelijk is. Dus ook een tijdelijke vergaderruimte in de tuin waarnaar de leden van de fractie van het CDA vragen valt hieronder.  

Het werkplekcriterium in de werkkostenregeling werkt als hulpcriterium voor zakelijkheid om op collectieve wijze voorzieningen die weliswaar binnen het loonbegrip vallen, maar waarvan het niet wenselijk is het (veelal zeer beperkte) privévoordeel te belasten, buiten de heffing te laten door de waarde op nihil vast te stellen. Bij de introductie van de werkkostenregeling had er ook voor gekozen kunnen worden voorzieningen op de werkplek zoals feesten of fitness via de vrije ruimte te laten lopen. Dit om – en dat is meer systematisch – in evenwicht te blijven met soortgelijke voorzieningen elders waarvan de waarde in de vrije ruimte thuishoort. Dat is echter praktisch onuitvoerbaar. Allereerst moet dan de waarde van het privévoordeel van voorzieningen die mede op de werkplek worden gebruikt of verbruikt vastgesteld worden met behulp van een forfaitaire benadering, immers de factuurwaarde ontbreekt. Behalve een waardering moet dan tevens nog het gebruik vastgesteld worden, hetgeen praktisch onuitvoerbaar is. Daarom – de werkkostenregeling is immers bedoeld als een vereenvoudiging en niet een voortzetting van het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen – is daar niet voor gekozen. met de introductie van het (beperkte) noodzakelijkheidscriterium neemt het belang van de werkplek als hulpcriterium af. Van een weeffout, zoals de leden van de fractie van het CDA suggereren, is dan ook geen sprake.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het werkplekcriterium tot de oneerlijke conclusie leidt dat voor de ambulante werknemer en de werknemer thuis veel meer tot het belaste loon gerekend wordt dan voor de werknemer die op kantoor (of een andere vaste werkplek) werkt. Dat is niet het geval. Ook de leden van de fractie van de PVV vragen naar de thuiswerkplek. Van een ongelijke fiscale behandeling als gevolg van het werkplekcriterium tussen werknemers die thuis, elders of op de vaste kantoorwerkplek werken is naar het oordeel van het kabinet geenszins sprake. Verder valt op te merken dat de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing kan zijn op het thuiswerken. Daarom is ook op dit moment al in de URLB 2011 een uitzondering opgenomen voor een thuiswerkplek als bedoeld in het op die wet gebaseerde Arbeidsomstandighedenbesluit. Het gaat om bepalingen betreffende voorschriften ter zake van een ergonomische inrichting van de werkplek, de beeldschermplek en het dag- of kunstlicht.

Voorzieningen die de werknemer mede op de “gewone” werkplek gebruikt, zoals een ter beschikking gestelde laptop, zijn onder de huidige vormgeving van de werkkostenregeling eveneens nihilgewaardeerd. Met de voorgestelde maatregel, te weten de introductie van het (beperkte) noodzakelijkheidscriterium, worden de door de werkgever in redelijkheid noodzakelijk geachte ICT-middelen vrijgesteld zonder nadere koppeling aan de werkplek. In het geval deze bepalingen alsnog onvoldoende ruimte bieden en een voorziening toch nog tot het loon gerekend moet worden, heeft de werkgever de (voor de hand liggende) keuze om deze voorziening aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel. Daarmee krijgt een werkgever iets meer mogelijkheden dan onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen.

Ook willen de leden van de fractie van het CDA weten of werkgevers met de werkkostenregeling Het Nieuwe Werken (HNW) optimaal kunnen bevorderen. De werkkostenregeling biedt ten opzichte van de fiscale behandeling van vrije vergoedingen en verstrekkingen meer vrijheid. Met de introductie van het (beperkte) noodzakelijkheidscriterium heeft de werkgever nog meer mogelijkheden om de werknemer tegemoet te komen in voorzieningen die HNW optimaal bevorderen. Voor HNW kunnen laptop en mobiele telefoon noodzakelijk zijn. Deze zijn onder het noodzakelijkheidscriterium makkelijker te verstrekken. Bijvoorbeeld als de werkgever op kantoor geen vaste computer en vaste telefonie verstrekt, maar werknemers voorziet van mobiele voorzieningen kan al snel aangenomen worden dat deze noodzakelijk zijn. Voor zover de vrijstellingen onvoldoende ruimte bieden aan een werkgever om de werknemer tegemoet te komen in HNW kan hij nog onderbrengen in de vrije ruimte.

De leden van de fractie van het CDA vragen ook of het klopt dat de dienst van de bedrijfsarts/fysiotherapeut die op de werkplek komt onbelast is onder de werkkostenregeling, maar dat deze dienst belast is als de werknemer naar het kantoor van de bedrijfsarts/fysiotherapeut gaat. Op dit moment is het voldoende als een Arbo-gerelateerde dienstverlening mede op de werkplek plaatsvindt. Bijvoorbeeld een intakegesprek op de werkplek, vervolgafspraken in de praktijk van de therapeut. Ook met deze soepele benadering van de werkplek wordt de uitvoering van het Arboplan naar het oordeel van het kabinet toch nog teveel belemmerd. Ik zal daarom in de URLB 2011 een uitzondering opnemen voor Arbovoorzieningen die niet op de werkplek plaatsvinden.

De leden van de fractie van D66 vragen of de door de werkgever geïnitieerde preventie- en gezondheidsprogramma’s onder de nihilwaardering voor Arbovoorzieningen vallen. In het geval dergelijke programma’s onderdeel vormen van het Arboplan dat de werkgever opstelt naar aanleiding van de op grond van de Arbeidsomstandighedenwet vereiste risico-inventarisatie en evaluatie, zijn dergelijke programma’s vrijgesteld. Het kabinet verwacht niet dat werkgevers de risico-inventarisatie vanwege de overgang naar de werkkostenregeling een andere invulling geven dan voorheen.

Diverse voorzieningen

De kracht van de werkkostenregeling is de vrijheid die de werkgever krijgt om naar eigen inzichten, zonder gedetailleerde fiscale normeringen en beperkingen, zijn beloningsbeleid vorm te geven. De leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP en het CDA stellen vragen die inzoomen op verschillen met het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen. Het gaat daarbij onder meer om personeelsfestiviteiten, parkeerruimte en de fiets. Voor deze kostencategorieën gold een specifieke, gedetailleerde regeling, die niet gehandhaafd is onder de werkkostenregeling. Het opnemen van gedetailleerde regelingen staat haaks op het streven naar eenvoud, terwijl dit ook de samenhang en systematiek van de werkkostenregeling niet ten goede komt. Ook komt de keuzevrijheid die de vrije ruimte de werkgever biedt, in het gedrang. Van meer belang is ook het bezwaar dat de hoogte van het percentage van de vrije ruimte dan aanzienlijk zakt. Daarmee wordt ook de keuzevrijheid voor de werkgever vrijwel teniet gedaan. Dat is onwenselijk.

Zoals in de Verkenning verbetering van en vergroten van het draagvlak voor de werkkostenregeling al is gemeld, kan een aantal van deze als onevenwichtig ervaren knelpunten rond de werkplek weggenomen worden met een brede introductie van het noodzakelijkheidscriterium.6) Deze vragen overziend komt het kabinet tot de conclusie dat de werkkostenregeling een positieve bijdrage levert aan de gewenste vereenvoudiging, zonder dat de ogen worden gesloten voor het feit dat op detailniveau er veranderingen optreden.

6) Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 54.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het niet een onwenselijke situatie is dat feestjes op de werkplek nihilgewaardeerd zijn (effectief dus vrijgesteld) en voor feestjes elders een generieke vrijstelling in de vorm van 1,2% van de loonsom aangewend kan worden. Zoals gezegd, feestjes horen naar hun aard in de vrije ruimte. Het onderscheid is de consequentie van een nog onwenselijker situatie, namelijk dat de feestjes op de werplek gewaardeerd zouden moeten worden en geregistreerd zou moeten worden hoeveel werknemers feitelijk gebruik maken van deze voorziening.

De leden van de fractie van de SP vragen of de invoering van de werkkostenregeling van invloed is op het aantal bedrijfsuitjes. Bij de invoering van de werkkostenregeling in 2011 is reeds gesproken over mogelijke gevolgen voor de sector. Feitelijke cijfers over bedrijfsuitjes of over de evenementenbranche, en meer in het bijzonder over een relatie tussen de invoering van de werkkostenregeling en het aantal bedrijfsuitjes, zijn mij niet bekend.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de fiscale behandeling van het feestje elders onder de werkkostenregeling. De waarde in het economische verkeer van personeelsfestiviteiten wordt bepaald door de factuurwaarde. Deze leden vragen ook of het fiscaal van belang is of het gehele personeel op het feest elders aanwezig is. Dat is niet meer van belang, nu de (eerder aan personeelsfestiviteiten gestelde) eis is vervallen dat de festiviteit open moet staan voor ten minste drie kwart van de werknemers of ten minste drie kwart van die werknemers die behoren tot een organisatorische eenheid of functionele groep.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de kosten van parkeren elders niet specifiek zijn vrijgesteld. Om het aantal gerichte vrijstellingen te beperken is destijds gekozen niet meer specifieke vrijstellingen op te nemen. Dat geldt dus ook voor kosten van parkeren in het algemeen. Over de parkeerruimte elders valt nog op te merken dat voor door de werkgever ter beschikking gestelde auto’s dergelijke kosten in de forfaitaire waarderingsregels van het privégebruik auto zijn opgenomen, dus verder buiten het loon blijven. Voor werknemers die met een eigen auto naar de werkplek komen geldt dat de kosten van parkeren in principe begrepen zijn in de onbelaste vergoeding van € 0,19 per kilometer.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de fiscale gevolgen van parkeerkosten op een parkeerplek elders. Het is afhankelijk van de keuze van de werkgever of een werknemer loonbelasting moet betalen over de vergoeding van de parkeerkosten elders of verstrekking van een parkeerplek in de buurt van de werkplek. De werkgever kan de parkeerkosten individueel verlonen of in de vrije ruimte onderbrengen. De werkgever kan er ook voor kiezen de parkeerkosten niet te vergoeden maar uit te gaan van de kilometervergoeding.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of kleding die in modewinkels ter beschikking wordt gesteld en die in deze winkels moet worden gedragen geschaard kan worden onder het noodzakelijkheidscriterium dan wel dat hiervoor een gerichte vrijstelling kan worden ingericht. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hiernaar. Kleding kan niet geschaard worden onder de gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen in de vorm van gereedschap of ICT-middelen. Immers, kleding vormt geen gereedschap. Onder de werkkostenregeling kunnen modewinkels gebruik blijven maken van de nihilwaardering voor kleding die op de werkplek achterblijft. In andere gevallen kan gebruikgemaakt worden van de in het voorliggende Belastingplan 2015 opgenomen gerichte vrijstelling voor korting op producten in eigen bedrijf. Daarnaast beschikt een modewinkel ook nog over de generieke vrijstelling in de vorm van de vrije ruimte, waardoor zijn fiscale positie is verbeterd ten opzichte van die onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen. Een gerichte vrijstelling voor kleding in modewinkels is daarom onnodig en daarmee ongewenst.

Tevens vragen de leden van de fractie van het CDA naar werkkleding die bijvoorbeeld gedragen wordt tijdens woon-werkverkeer. Voor zover het een uniform betreft of werkkleding die voorzien is van een bedrijfslogo van ten minste 70 cm², geldt dat deze ook als deze niet op de werkplek achterblijft, onbelast is. De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van de werkkostenregeling voor de sector sport, waar vaak (meerdere sets) kleding en schoenen worden verstrekt en vaak sprake is van kleine werkgevers met lage loonsommen. Voor deze sector geldt hetzelfde als voor werkgevers met een modewinkel. Voor zover de verstrekte sportkleding en schoenen voldoen aan de daar genoemde voorwaarden zijn er geen fiscale gevolgen. Daarnaast geldt ook voor de werkgevers in de sportsector nog de vrije ruimte.

Fiets en werkkostenregeling

Er zijn veel vragen gesteld over het niet voortzetten van een specifieke vrijstelling voor de fiets. De nadruk van deze vragen ligt op de vermeende gevolgen van het niet opnemen van deze specifieke vrijstelling voor de aanschaf van de fiets. Men is bevreesd dat daardoor (onder andere) de “fiets van de zaak” onmogelijk wordt gemaakt, dat (kort gezegd) het aantal files tijdens het woon-werkverkeer zal toenemen en dat de werkgelegenheid in de betreffende branche zal afnemen. Ten algemene wil ik opmerken dat dit naar mijn mening koudwatervrees is. Ten eerste is het aantal fietsen in Nederland fors groter dan het aantal inwoners. Volgens een door BOVAG/RAI uitgebrachte overzicht waren er in 2013 in Nederland circa 22,3 miljoen fietsen. Naar mijn mening kan dat niets anders betekenen dan dat het aantal fietsen niet het probleem kan zijn als het gaat om bijvoorbeeld het stimuleren van het gebruik van de fiets in het woon-werkverkeer. Als de fiets daar niet voor wordt gebruikt zijn er blijkbaar andere oorzaken die ervoor zorgen dat men in het woon-werkverkeer toch kiest voor een andere wijze van vervoer. Maar veel belangrijker is dat de introductie van de werkkostenregeling en daarmee het niet voortzetten van de specifieke vrijstelling geen gevolgen hoeft te hebben voor de fiets van de zaak. De werkgever kan ook onder de werkkostenregeling, maar dan met gebruikmaking van de vrije ruimte, nog steeds onbelast een fiets verstrekken aan de werknemer. Daarbij gelden geen voorwaarden zoals die onder de huidige specifieke vrijstelling wel gelden. Er is geen maximum als het gaat om de prijs van de fiets, er worden geen voorwaarden gesteld aan het gebruik en de werkgever mag zelf kiezen hoe vaak hij een fiets aan zijn werknemer verstrekt. De veel gehoorde opmerking daarbij dat een dergelijke verstrekking vanuit de vrije ruimte ten koste gaat van andere verstrekkingen die vanuit die vrije ruimte worden verstrekt is juist, maar hoeft geen belemmering te zijn voor de fiets van de zaak. De werkgever kan in overleg met zijn werknemers keuzes maken voor de verstrekkingen vanuit de vrije ruimte en in dat overleg kunnen beide partijen bewust kiezen voor de “fiets van de zaak”.

De leden van de fractie van de SP vragen of de werkkostenregeling zal zorgen voor veel minder “fietsen van de zaak”, of daarmee het aantal kilometers file zal toe- of afnemen, hoe dit zich verhoudt tot de “Green Deal” van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu die tot doel had vijf procent meer fietsgebruik voor woon-werkverkeer te realiseren en of het aannemelijk is dat deze doelstelling alsnog wordt gehaald. Deze leden stellen ook de vraag of het kabinet het niet meer zinvol vindt om de fiets van de zaak te stimuleren en of erover is nagedacht om deze fiscale stimulans te behouden.

In het eerdergenoemde rapport van Panteia “Evaluatie Werkkostenregeling” is aan de werkgevers gevraagd naar het gebruik van de fietsregeling. In totaal gaf 21% van de werkgevers in 2010 werknemers de gelegenheid van de regeling gebruik te maken. Tweederde van deze werkgevers geeft niet zelf een fiets, maar stelt de werknemers in de gelegenheid via een cafetariaregeling vanuit hun brutoloon zelf een fiets te kopen. Meer dan de helft van de werkgevers die van de fietsregeling gebruikmaakt is voornemens binnen de werkkostenregeling hun fietsregeling te continueren. Zoals hiervoor al is aangegeven geeft de vrije ruimte in de werkkostenregeling de werkgevers meer mogelijkheden om te bepalen welke vergoedingen of verstrekkingen ze onbelast aan hun werknemers willen geven. Het is juist de bedoeling dat werkgevers van deze keuzevrijheid gebruikmaken; werkgevers kunnen zelf het beste inschatten aan welke vergoedingen en verstrekkingen behoefte is. Op welke manier deze keuzevrijheid de komende jaren zal worden ingevuld, kan ik niet zeggen. Dit zal per werkgever verschillen. Hierbij zal een rol spelen dat er naast de vrije ruimte ook andere mogelijkheden zijn voor de werkgever om te bevorderen dat zijn werknemers op de fiets naar het werk komen. De mogelijkheid van een onbelaste vergoeding van € 0,19 voor zakelijke kilometers (inclusief woon-werkverkeer) kan door de werkgever worden aangewend om het fietsgebruik te stimuleren. Hiernaast kan de werkgever voor de aanschaf van de fiets – ook onder de werkkostenregeling – een renteloze lening geven. Er bestaan nog meer creatieve mogelijkheden om de aanschaf van de fiets geruisloos te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld door de inzet van de voor woon-werkverkeer verstrekte onbelaste kilometervergoeding voor de aflossing van deze renteloze lening.

Aan de andere kant zullen er ook werkgevers zijn die met de vrije ruimte meer mogelijkheden zien voor het stimuleren van fietsen dan onder het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen mogelijk was, juist omdat de al eerder genoemde beperkingen ter zake van de verstrekking van de fiets van de zaak onder de werkkostenregeling vervallen. In die zin kan dit juist ondersteunend zijn voor het behalen van de doelstellingen van de door de leden van de fractie van de SP aangehaalde “Green Deal”. Dat houdt ook in dat de werkkostenregeling dus zeker geen negatieve invloed hoeft te hebben op het aantal kilometers file.

De werkkostenregeling hoeft daarom ook niet noodzakelijk gevolgen te hebben voor het aantal fietsverkopen en de werkgelegenheid, dit naar aanleiding van vragen van de leden van de fractie van de SP.

Het vorenstaande geeft ook aan dat er feitelijk geen aanleiding is om nader te overwegen om ruimte te laten voor een specifieke regeling voor bedrijfsfietsen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen daarnaar. Ook de aanwezige gezondheidsvoordelen van fietsen zijn voor mij geen aanleiding voor een aparte fiscaal vriendelijke behandeling van het totale aankoopbedrag van de fiets, dit als antwoord op de vraag van het lid van de fractie 50PLUS/Klein. De werkkostenregeling biedt zoals gezegd voldoende mogelijkheden.

Gebruikelijkheidstoets

De leden van de fractie van de SP willen graag weten hoe werkgevers dienen aan te tonen dat de vergoeding of verstrekking van een goed gebruikelijk is. In de werkkostenregeling is als afbakening een bepaling opgenomen waarin is bepaald dat de omvang van de als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet in belangrijke mate mag afwijken van hetgeen in voor het overige vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. Het is in eerste instantie de inspecteur die aangeeft dat hij de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen ongebruikelijk acht. Als uitgangspunt achter de werkkostenregeling geldt dat het de fiscus niet uitmaakt welke vergoedingen en verstrekkingen er binnen de vrije ruimte aangewezen worden. Dat uitgangspunt brengt met zich dat het bijvoorbeeld geen verschil maakt of het kerstpakket in de vorm van een tegoedbon verstrekt wordt of in geld uitgekeerd wordt. De leden van de fractie van het CDA merken terecht op dat de werkkostenregeling in beginsel is bedoeld voor vergoedingen en verstrekkingen van met de dienstbetrekking samenhangende kosten. Tegelijk is juist het uitgangspunt van de regeling dat niet meer van belang is wat de aard is van het loonbestanddeel. Binnen de vrije ruimte mag een werkgever zelf bepalen of hij “zwak” loon zoals het belaste deel van een reiskostenvergoeding of “echt” loon zoals een deel van de eindejaarsuitkering aanwijst, onder voorwaarde dat het aanwijzen van dat loonbestanddeel als eindheffingsbestanddeel niet ongebruikelijk is. De leden van de fractie van het CDA merken op dat het nooit de bedoeling kan zijn geweest dat loon dat onmiskenbaar loon is getransformeerd kan worden in via de vrije ruimte vrijgesteld of bij overschrijding van de vrije ruimte lager belast loon. Zo kan het binnen de vrije ruimte als ongebruikelijk gezien worden in het geval een werkgever die nog veel vrije ruimte over heeft het overige aan één enkele werknemer toekent. Deze werknemer ziet enerzijds het loon waarover hij zelf belasting moet betalen dalen en anderzijds ontvangt hij ook het door zijn werkgever aangewezen eindheffingsbestanddeel netto, zodat hij per saldo erop vooruitgaat. Een dergelijke bevoordeling van één enkele of enkele werknemers acht het kabinet niet gebruikelijk. Het aanwijzen van vakantiegeld of bonussen met het oog op tariefarbitrage acht het kabinet ook niet gebruikelijk. Van tariefarbitrage is sprake indien het tarief van de werkkostenregeling (bij overschrijding van de vrije ruimte 80%) lager ligt dan het voor werknemers toepasselijke gebruteerde eindheffingstarief.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een situatie dat de Belastingdienst heeft goedgekeurd dat een groot bedrijf met veel werknemers en weinig vergoedingen en verstrekkingen de hele resterende vrije ruimte gebruikt om een geheel onbelaste bonus aan alle directieleden te verstrekken van € 1 miljoen per persoon. Bij verschillende Belastingdienstkantoren speelt inderdaad een soortgelijke vraag, maar het wordt overal afgewezen. In een aantal gevallen hebben inhoudingsplichtigen berust in het standpunt van de inspecteur.

Het gebruikelijkheidscriterium is bedoeld om excessen tegen te gaan. Dit criterium is een open norm die nog geen invulling in de jurisprudentie kent. Gelet op de korte historie is dat nog niet gebeurd. Dat wil niet zeggen dat het criterium onuitvoerbaar is, zoals de NOB stelt. Het ontbreken van jurisprudentie over deze ruim geformuleerde open norm bevestigt slechts dat het gebruikelijkheidscriterium in de werkkostenregeling nog niet is uitgekristalliseerd. Tegelijkertijd stel ik vast dat al bij aanvang is onderkend dat het gebruikelijkheidscriterium mogelijk onvoldoende bestrijdingsmogelijkheden zou bieden. Bij de invoering van de werkkostenregeling is namelijk reeds gezegd dat als oneigenlijk gebruik een hoge vlucht gaat nemen – en dat begint erop te lijken gelet op de verzoeken om vooroverleg en diverse publicaties – dat nadere maatregelen overwogen zullen worden. Een ander signaal omtrent ongewenst gebruik komt naar voren in de onlangs door de leden Kerstens en Groot (beiden PvdA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij gestelde vragen over mogelijkheden de Wet Normering Topinkomens te omzeilen door gebruik te maken van de werkkostenregeling.7) In antwoord op deze vragen is aangegeven dat onderzocht wordt of het gebruikelijkheidscriterium nadere aanscherping behoeft. De uitkomst van dat onderzoek is dat de Belastingdienst inderdaad behoefte heeft aan nadere aanscherping. Op dit moment wordt onderzocht op welke wijze daar invulling aan gegeven kan worden zonder het karakter van een vrije ruimte zonder vastleggingen op werknemersniveau geweld aan te doen.

7) Kamervragen met kenmerk 2014Z15514.78.

Overig werkkostenregeling

De leden van de fractie van het CDA wijzen op het Actal-advies uit 2013 en vragen of het kabinet de definitieve vormgeving van de werkkostenregeling heeft voorgelegd aan Actal. Dat is niet het geval. Actal is een onafhankelijk adviescollege dat zich bezighoudt met het toetsen van regeldruk. In het algemeen kiest Actal zelf de onderwerpen waarover het advies uitbrengt, op basis van signalen uit de samenleving. Onder vorige kabinetten werd vrijwel alle wetgeving ter advisering aan Actal voorgelegd. Daarom is indertijd ook de invoering van de werkkostenregeling bij de Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 aan Actal voorgelegd, wat heeft geleid tot een positief advies.8) Op basis van de mogelijkheid om advies te vragen op een specifiek onderwerp, heeft mijn ambtsvoorganger in april 2013 advies gevraagd over de Verkenning verbetering van en vergroten draagvlak voor de werkkostenregeling. In het bijzonder over het in die verkenning geïntroduceerde noodzakelijkheidscriterium. Dat advies van Actal is meegezonden met mijn brief van 3 juli 2014.9) In het kort ziet Actal het noodzakelijkheidscriterium als een kans om de regeldruk te verminderen maar waarschuwt voor juridisering vanwege het karakter van open norm. Ook adviseert Actal het noodzakelijkheidscriterium in eerste instantie beperkt te introduceren. Met het voorliggende pakket maatregelen volg ik dit advies.

8) Advies Actal van 27-08-2009 inzake Belastingplan 2010, inclusief OFM, FOW en FVW.

9) Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 110. Het Actal-advies is raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in het bijzonder te reageren op het commentaar van de NOB en het RB. Voor zover hun vragen niet reeds aan de orde zijn gekomen in de beantwoording van de vragen van de leden van de fracties in de Tweede Kamer worden deze hierna beantwoord.

De NOB heeft gevraagd of het mogelijk is om voor alle vergoedingen en verstrekkingen een vaste kostenvergoeding te geven. In beginsel staat het een werkgever vrij om vaste vergoedingen te verstrekken. Om met betrekking tot deze vergoedingen gebruik te kunnen maken van de gerichte vrijstellingen, dient op grond van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB 1964 echter te worden voldaan aan de voorwaarde dat aan deze vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.

Het RB vraagt of het toegestaan wordt om buitenlandse boeten onbelast te vergoeden aan de werknemer indien de boete evident in strijd is met de Nederlandse rechtsorde. Dit mede in het licht van de aftrekbaarheid van deze boete in de winstsfeer. Indien sprake is van een boete die evident in strijd is met de Nederlandse rechtsorde is het, in aansluiting bij het oordeel van de inspecteur in de winstsfeer, toegestaan om deze boete aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en daarmee – voor zover de vrije ruimte nog niet volledig is benut – onbelast te vergoeden.

Ook vragen de leden van de fractie van het CDA te reageren op een recent artikel uit het Weekblad voor Fiscaal Recht over de werkkostenregeling.10) Met interesse heb ik kennis genomen van dit artikel waarin de schrijvers ingaan op de geschiedenis van de werkkostenregeling. Zij pleiten voor een meer principiële benadering van het loonbegrip door dit op voorhand te corrigeren met een generiek noodzakelijkheidscriterium. Ook geven de schrijvers aan dat dit criterium niet aan lijstjes in de weg hoeft te staan. De behoefte aan een brede introductie van het noodzakelijkheidscriterium is in deze nota al eerder aan de orde gekomen. Het kabinet is van mening, en wordt daarin gesterkt door de brede consultatie van het noodzakelijkheidscriterium, dat deze open norm te zeer afhankelijk is van feiten en omstandigheden om dit op voorhand onder te brengen in lijstjes. Deze leden vragen ook of over de suggestie van deze schrijvers nagedacht kan worden bij de brede herziening van het belastingstelsel om de werkkostenregeling logischer te maken. Het kabinet heeft in zijn brief Keuzes voor een beter belastingstelsel twee hoofddoelen bij een herziening van het belastingstelsel benoemd. Eén daarvan is een minder complex stelsel. Binnen die doelstelling kan uiteraard ook gekeken worden naar mogelijke vereenvoudigingen binnen de werkkostenregeling.

10) WFR 2014/1067, F.M. Werger en A.L. Mertens: De werkkostenregeling: knutselen aan een lelijk eendje maakt nog niet een mooie zwaan. 


meer informatie over Toelichting werkkostenregeling regering

Samengevat:

>
>
>
>
>